
De rest van de dag schikte ik me in de rituelen. Bezoek van vage oninteressante kennissen, meegenomen van de kerkstoep. Sperciebonen, gekookte aardappelen en een plakje rollade. Schone nette kleren. Zondagmiddag gevuld met huiswerk en spelletjes. Om vijf uur een biskwietje met een stukje chocola. Pas als om zeven uur Studio Sport begon en we met een boterham met ei op schoot zaten, haalde ik weer ruimer adem.
Al decennia zie ik een kerk alleen toeristisch van binnen of om lief en leed van geliefden te delen. De zondag is een dag als alle andere vrije dagen, houd ik mezelf voor. Maar zo voelt het niet. Zo voelt het nog steeds niet. Een zondag niet 'vieren' blijft raar. Grappig raar, opvallend raar, een enkele keer naar raar. En dan word ik nuttig. Dan moet ik van mezelf strijken, dan bak ik een cake, ruim een kast uit en maak pompoensoep.
Maatschappelijk is het allang geaccepteerd, de christelijke afvalligheid. Ik moet er alleen zelf nog steeds aan wennen. (En waarom komt de cake zojuist in twee stukken uit de vorm?)
1 opmerking:
Mooi beschreven en herkenbaar. Dat interbellum tussen 'gewoon meegaan' en 'vanzelfsprekend thuisblijven', dat heeft bij mij enkele jaren geduurd. Die middagen was er toch altijd een licht schuldgevoel, zeker als ik dan ook nog naar het Eerste ging kijken en ik eigenlijk nog niet genoeg huiswerk had gedaan. Zo leeft het katholieke schuldgevoel ook zonder kerkgang voort tot in lengte der dagen.
Een reactie posten