Es mag sein, dass nicht alle Musiker an Gott glauben, an Bach jedoch alle.
Mijn liefde voor Bach beleed ik al vaker. Hij is mijn vriend, mijn god, mijn minnaar heb ik regelmatig verzucht. Om te chockeren, natuurlijk om te chockeren. Maar ook (tóch, zouden gelovigen zeggen, maar tóch) in het besef dat het voor mij waar is. Zijn muziek is fantastisch behang voor een gezellig avondje, evenzeer als de punt op de i bij vreugde en malaise. En als ik het slotkoraal van de Johannes Passion zing, dan weet ik zeker dat het ook mij gaat gebeuren. En moet ik mijn best doen de emotie aan de volle kerk te laten, en niet zelf de tranen te laten stromen:
Alsdenn vom Tod erwecke mich,
Daß meine Augen sehen dich
In aller Freud, o Gottes Sohn,
Mein Heiland und Genadenthron!
Herr Jesu Christ, erhöre mich,
Ich will dich preisen ewiglich!
Deze week kwam in het nieuws dat Caroline Wilkinson, forensisch antropologe, de schedel van wijlen Johann Sebastian professioneel omgeknutseld heeft tot zijn ware gezicht. En wat een gezicht blijkt dat te zijn geweest!
Deze bruingebrande betonijzervlechter, zoals de huidige bewoners van Eisenbach hem typeren, nu ze geconfronteerd zijn met de versie van Wilkinson, wat moet ik daar nu toch mee? Wég is de saaie bepoederde pruikdrager die me al veertig jaar aanstaart vanaf muziekboekjes en concertposters. De man van wie ik me voor kan stellen dat hij tientallen CD's vol kon laten tokkelen, strijken en kwelen. Maar deze hier? Dat is een man met twintig kinderen en een drankprobleem (ik las dat Wilkison zijn door brandewijn getekende neus een tikje vriendelijker in zijn gezicht heeft geplaatst). Een man van vlees en bloed. Wat valt dáár nou over te schrijven?










Ze zakt neer naast collega Niek, die ze minstens tweemaal daags aan het lachen wil krijgen. 






















