zondag 25 oktober 2009
Heel druk
Ik ken hem niet. Het lijkt me een aardige man, ook al drinkt hij thee. De vergadering duurt lang. Elke keer als hij thee wil, schuift hij zijn stoel piepend achteruit, stampt door de zaal, fluistert zeer hoorbaar een vraag, en stampt met waterkan weer terug. Stoel in drie hupjes, zuchten, dop valt op tafel, theezakje plonst. Slurpje thee. Pen erbij. Aan. Uit. Aan. Uit.
Ik maak aantekeningen met een soepel lopende pen. De bladzijde van mijn schriftje sla ik langzaam en geluidloos om. De koffie schenk ik met precies de minst geluid makende snelheid in. Mijn schouders verkrampen - onhoorbaar - tijdens een stoelgeschraap die ik niet aan hoorde komen.
De vriendelijke man heeft stevige tekst. Elke derde woord met een klemtoon krijgt een vuist op tafel. Ik ben het met hem eens. Ik kijk naar die vuist. Hoor het kopje dat scheef op het schoteltje staat sprongetjes maken.
Ik weet me vier uur lang in te houden. Ik deel geen zakdoekje uit. Ik vraag niet, zelfs niet vriendelijk, of de pen wat minder mag. Mijn hand, die zijn vuist wil troosten, bedwing ik.
Wat kun je een hoofdpijn krijgen van een vriendelijke man.
maandag 12 oktober 2009
Toepad
Cadence perdu
Na de kerk en de cake en de kip
het hele gezin in de zwarte Dauphine
om de vader van pa en de moeder van pa
en de neven en nichten te zien
Zingen we canons en psalmen in koor
de heer is mijn herder, de morgen breekt aan
‘Net goed’, zegt de man met de hoed in zijn hand
als wij met pech aan de kant komen staan
Twee kabouters niet thuis in de bocht in de weg
Over de Maas waait een stinkende wind
Mijn laars krijgt een kraagje van zondagse kous
Toepad is daar, met het erf van kastanjes en grind
Wie nog geen zes is die mag op de koe
We besluipen de kuikens in grazige wei
Een oudere nicht die komt nat uit de bron
Een neef met een spijker vol roest in z’n zij
Kijken bij oma naar kaas in de kelder
Opa jaagt spreeuwen omhoog uit de boom
Het vlees in de soep kauw ik zwijgend tot gummie
Een knipoog van links, en ik spuug in de hand van mijn oom
Om vijf over vijf spreekt de man in zwart wit
nul – nul en een één en een drie
Terug in de auto met appels op schoot
en ieder van ons met een reepje cacoafantasie
zondag 11 oktober 2009
Cognac

De hand van het meisje voelde als een glas goede cognac na een perfecte maaltijd.De meester en de klas waren unaniem: too much. Ik wierp nog zwakjes tegen dat het wel de manier was om duidelijk te maken dat de ik-figuur een puike amateurkok is. Zwakjes, want ik was het wel eens met de kritiek: tikje ranzige connotatie licht op de loer, en dat wilde ik niet.
Hoe dun haar vingers aren viel me pas op toen ze me bij de koffie en cognac had ingehaald. Ze hield het glas vast als was het een babyhandje.
donderdag 1 oktober 2009
Jij kunt beter
Ooit moest ze een opstel schrijven, ik meen in klas vier van het gymnasium. Zij vroeg haar moeder dit voor haar te doen. Of - het zou zo maar kunnen, bedenk ik achteraf - haar moeder bood aan het opstel te schrijven. Zo geschiedde. Het opstel kwam terug. Eronder stond geschreven: Je kunt beter, Herma! Haar moeder, de schrijfster, mijn grootmoeder, was naar verluidt pislink.
Zestig jaar na dato komt mijn zoon thuis met een beginnetje van een verhaal, met de opdracht het verhaaltje af te maken. 't Begin is van Jeannette Winterson, 't vervolg van de kleindochter van de schrijfster. (2009 is niet meer hetzelfde als 1949. Mijn versie wordt 'sorry, hoor' ff flink geëdit.)
De drie vrienden
Er waren eens twee vrienden die een derde vonden. Omdat ze niemand in de hele wereld aardiger vonden, beloofden ze plechtig dat ze in één paleis zouden wonen, op één schip zouden varen en één gevecht zouden leveren met gelijke wapens.
Na drie maanden besloten ze op een zoektocht te gaan.
‘Wat zullen we gaan zoeken?’ vroegen ze elkaar.
De eerste zei: ‘Goud.’
De tweede zei: ‘Vrouwen.’
De derde zei: ‘Dat wat onvindbaar is.’
Ze waren het er allemaal over eens dat dit laatste het beste was, en zo gingen ze fraai uitgedost op stap. De eerste droeg duikkleding, de tweede een imkerspak en de derde een parachute.
De eerste vriend nam het schip mee en zocht onder water. Hij dook in rivieren, in plassen en in de Stille Oceaan, maar wat hij vond, niet dat wat onvindbaar is.
De tweede vriend zocht in alle bijenkasten van de wijde wereld, en in de paleistuin. Hij vond honing, veel honing, en één keer werd hij gestoken, op zijn linkerhand. Maar al wat hij vond, niet dat wat onvindbaar is.
De derde vriend zocht in de lucht. Hij vloog en sprong, vloog en sprong, maar al wat hij inademde en al wat hij zag, niet dat wat onvindbaar is.
Moe, boos en verdrietig kwamen ze weer terug in het paleis.
De eerste zei: ‘Jullie hebben niet goed gezocht.’
De tweede zei: ‘Eén van jullie heeft het gevonden, en houdt het voor zichzelf’.
De derde zei: ‘Ik heb toch liever goud en vrouwen, dan jullie als gezelschap.’
Ze zeiden nog veel meer, en steeds harder. Ze schreeuwden door elkaar. Hoe wijder hun monden open gingen, hoe dichter hun oren gingen zitten. Toen de zon weer opkwam waren ze alledrie hees. Ze fluisterden plechtig dat ze nooit meer in één paleis zouden wonen, op één schip zouden varen en dat één gevecht met gelijke wapens genoeg was geweest.
De verloren vriendschap bleef onvindbaar.