Dit gedicht stuurde ik niet in voor de lokale wedstrijd ter gelegenheid van de gedichten3daagse. Thema: Poëzie en stilte.- Hé, pst.
- Ssst! Ik slaap al.
Ina deelt hier niet het chagrijn, noch de kwaadheid, de ergernissen, niet de grote levensvragen, de belangrijke geschillen. Dit is de plek voor de honderd kleine feestjes, de kicks voor niks, het alledaags genieten. En ze probeert haar fictiepen, al dan niet bewust, meer of minder literair.
Dit gedicht stuurde ik niet in voor de lokale wedstrijd ter gelegenheid van de gedichten3daagse. Thema: Poëzie en stilte.- Hé, pst.
- Ssst! Ik slaap al.
Naar huis fietsen doe ik zelden alleen. Nog voor ik vanaf de Brinkgreverweg rechtsaf de Rielerweg op draai, zit Miesje Masochisje al op schoot, met beide handen aan het stuur. De Rielerweg is een fietsstraat. Miesje en ik weten wat een fietsstraat is. Op een fietsstraat heeft de fiets voorrang. En dus blijf je als automobilist achter fietsers rijden, haal je niet in, en rijd je 30 kilometer per uur, áls je de weg al voor jezelf hebt. Helaas, zo niet hier. Zo absoluut niet hier. De straat waarvan het fietsbezit van bewoners en bezoekers waarschijnlijk het laagst is van heel Deventer, moet een paradijs voor de tweewieler zijn. Het is al vanaf het begin een dorado voor Miesjes. Zij stuurt ons langs portieren die voor onze neus dreigen opengezwaaid te worden, zorgt dat we in het midden blijven rijden als er een auto in wil halen en remt niet onmiddellijk als er een wagen keert zonder kijken. Kirrend van genot wijst ze naar de dubbelgeparkeerde mercedessen aan beide zijden en probeert ze een sliding door een partij rotte paprika's midden op de weg. Pas als ik 300 meter verderop ter hoogte van de brievenbus ben, weet ik Miesje richting hondenuitlaatveldje te duwen. Onmiddellijk neemt Saartje Sadistje haar plek in. We naderen de kruising met de Veenweg. De Rielerweg zit sinds kort in de voorrang. Let op de woorden sinds kort en voorrang. Saartje en ik stuiven op de kruising af. Ons record is acht piepende banden. Vandaag kon ze een joehoe niet onderdrukken, toen we niet alleen vier auto's lieten remmen, maar ook een afslaander van de overkant tot wachten dwongen. Dan mag ik weer alleen verder. Helemaal in balans ben ik.
Ik droomde vannacht dat ik met mijn zussen op een vlonder zat, midden in het Naardermeer. We speelden een mij onbekend gezelschapsspel. Ik draaide de kaart "Vertel welke tante je het meest bijzonder vond toen je tien jaar was, welke toen je twintig jaar was en welke nu." Een aantal ingrediënten kan ik plaatsen, maar waar die tantes nou opeens vandaan kwamen?
Ik heb een dubbelganger. Ze woont op De Worp, hemelsbreed zo'n zeven kilometer hier vandaan. Ik ken haar niet. Maar ik weet dat ze bestaat omdat er veel mensen in Deventer zijn die haar kennen en mij niet. En die mij dan zien en denken dat ik haar ben. En dan dichterbij komen en zien dat ik haar niet ben. En dan verbaasd kijken. Of lachen. Eerst dacht ik dat ik een foute bril had. Of dat er iets uit mijn neus hing. Toen kwam ik hier vlakbij huis een man tegen die tegen mij begon te praten. In plat Deventers. Pas toen ik drie keer had gezegd dat ik echt Ina was en niemand anders, en dat in Hooghollands, hield hij op mij te overtuigen dat ik Truus was. Of Petra. Of Moniek. Hij heeft toen een naam genoemd, die ik helaas weer ben vergeten. 'Maar kom je niet van De Worp weg?' was zijn laatste poging.
Each player of this game starts with the 'Six weird things about you'. People who get tagged need to write a blog post of their own 6 weird things as well as state this rule clearly. In the end, you need to choose 6 people to be tagged and list their names. Don’t forget to leave a comment that says 'you are tagged' in their comments and tell them to read your blog.
KaboutersVoor kabouters moet je op campings zijn. In Bakkum(vijfduizend gasten in zomerse piekweken) staat eencaravan die omringd is door grote kabouters. Somsstaat er ook een monster tussen dat schreeuwt en metzijn ogen rolt als je door zijn elektronisch oog gesig-naleerd wordt. Je schrikt door het onverwachte ge-luid, maar deze zomer zag ik een driejarig jongetjewel tien keer op het monster toelopen, en al diekeren schrok hij zich rot, zijn kleine lichaam sidderdeen schokte. Het verbaasde me dat hij de schrik zelfzocht, maar toen ik me realiseerde dat er ook mensenzijn die pijn lekker vinden, keek ik met vertederingnaar zijn elfde schrikgolf.
A.L. Snijders, Belangrijk is dat ik niet aan lezers denk, p 339.
Marjan had al een tijdje langs de nieuwe collectie gelopen en stond bij het rek met afgeprijsde exemplaren, maat 39, toen Ester binnenkwam die op de vlucht was voor een onverwachte regenbui. Marjan en Ester grepen tegelijk naar dezelfde schoen. Ester keek naar Marjan. Marjan keek naar Ester. "Wat een cliché", piepte Ester, die altijd als eerste sprak. "Ja", zei Marjan schor. Ze waren nog net niet ter plekke zoenend tussen de dozen beland, maar sindsdien wel onafscheidelijk.
Een treinreis is ideaal om dat ene klusje te doen waar je anders zo moeilijk aan toe komt. Zoals de man naast me die de zaterdagbijlages van zijn regionale dagblad snuit. Voor mij knipt iemand met veel rode krullen zijn of haar nagels. Ook op enige afstand een onaangenaam geluid. De vrouw aan de andere kant van het gangpad, het zou een zus van Belinda Meuldijk kunnen zijn, is er eens goed voor gaan zitten. Ze heeft zich zo ingebakerd dat ze geen buur zal krijgen, hoe druk het in de trein ook wordt. Een grote rugzak plus een tas van een duur modehuis staan op de stoel naast haar, een opengevouwen krant erboven op. Haar jas ligt, keurig met de buitenkant naar binnen gevouwen, in het rek boven haar hoofd. Haar schoudertas moet blijkbaar nodig uitgemest. De inhoud verhuist naar het plankje dat ze uit de leuning van de stoel voor haar heeft gehaald.
De achterkant van NRC is een dagelijkse traktatie. Fokke en Sukke, ik@nrc.nl, een driekoloms journalistiek stukje en twee columns. Frits Abrahams is mijn nummer één, maar ook de linkerkant is vaak prettig gevuld. Vandaag is de beurt aan Ewoud Sanders. Hij beschrijft in zijn column Staatsvijand nr. 1 een van de gevolgen van de opwarming van de aarde, de teloorgang van de winterwoorden. Daarin vermeldt hij dat zijn tienjarige zoon niet weet wat een wak is. Nu heb ik nog net een tienjarige in de buurt, dus die leg ik het onmiddellijk voor.
Hier in huis geldt, in mijn nabijheid, een verbod op "Nou en?". Ik vind het disrespectvol en het irriteert me enorm dit geluid met name uit kinderkelen te horen komen. Mijn zonen zijn creatief genoeg om met alternatieven te komen, dus hun desinteresse kunnen ze (met een lach en met mate) best nog wel kenbaar maken.
Een paar weken geleden had ik met Extreme Tracking een tellertje op deze blog geplaatst. Best knap voor mijn doen, in één keer goed! En leuk om te merken dat ik gemiddeld zeker twintig lezers heb. Een topdag was 2 januari met maar liefst 53 'unique hits'. Ik word een echte schrijver! Met lezers! Al snel werd ik overmoedig en stak de blog in een nieuw jasje. Hierbij sneuvelde het tellertje. Vol vertrouwen door mijn eerdere succes dacht ik dit wel even te herstellen. Om een heel lang verhaal netjes samen te vatten: het lukte niet. En dat terwijl ik een mede-blogger nog toevertrouwd had: "zo'n tellertje installeren, kínderspel!". Alweer ergens te oud voor, zeker.voor jullie allen
een ereplaatsje in de
blogstatistieken


AANGEBRAND
Aagt Morsebel nam kleinen Piet
In kost, en als het kind, te middag aangezeten,
Haar soms zijn walging merken liet:
De vieze bijsmaak van heur knoeisels werd geweten,
Aan kaarsvet, roet, noch snuif; 't was altoos: "Lekkertand,
Wat zou het zijn, als aangebrand?"
Nu kwam er eens een schotelvol groen eten
Te voorschijn, die Kok Aagt spinazie had geheten:
Hiervan kreeg kleine Piet zijn deel op 't bord gesmakt;
Hij roert er in; hij vindt twee achterpooten
Van d' armen kikvorsch, onder 't warmoes kort gehakt,
En legt, met de oogen half gesloten,
Zijn eetvork neer, terwijl hij vraagt:
"Heeft aangebrand ook voetjes, moeder Aagt?"
A.C.W.Staring (1767-1840)
Iedereen zal wel zo'n straat hebben waar je iets extra's mee hebt. Voor mij is dat de Rielerweg. Om meer dan één reden. Ik heb er op zich niets te zoeken, al is er van alles te vinden. Deze weg, de enige die zo heet in heel Nederland, als ik mijn research goed gedaan heb, fiets ik in zijn geheel af, van huis naar werk. En aan het einde van de werkdag weer terug.
Er zijn weer drie werkmaanden voorbij en dus vroeg de computer vanmorgen of ik mijn wachtwoord wil wijzigen. Het moet altijd een woord zijn waar ik blij van word en toch goed te typen is, en dat is weer gevonden. Over drie maanden verklap ik welk woord bij bovenstaand plaatje hoort. Waag ondertussen gerust een gokje.
Cyndi Lauper ~ True Colors
Klaas de Vries was te gast bij Met het oog op morgen. Het was een paar dagen voor de tweedekamerverkiezingen. Klaas wist al - en wij met hem - dat hij niet meer verkiesbaar was. Maar nog meningen genoeg en dus een prettige gast. Ik stond in de file op de A1 op een woensdag na mijn onvolprezen cursus. Een geluksmoment. In mijn, toen nog gehuurde, bolide, in het donker, flesje water, herinnering aan fijne avond, vol ideeën om te schrijven. En vrouw van de wereld, vanzelf, zo op weg naar huis, waar ik, als altijd, warm verwacht werd. Klaas had zijn eigen muziek mee mogen brengen. Onaangekondigd klonk een nummer dat me zo heerlijk in de oren klonk dat ik al na een halve minuut mezelf commandeerde: Naar de aftiteling luisteren! Onthouden!! Toen Klaas mocht vertellen wie er zong, begreep ik waarom ik voor het eerst van mijn leven aangetrokken was door een jazz-nummer (Nee, da's gelogen. Ik houd ook van Porgie & Bess. De tweede keer, dan.) Wie zong er namelijk? De door mij al zo lang gewaardeerde Dame (spreek uit: deem) Kiri te Kanawa.
Ontwaak in een stil huis. Weet jongste achter zijn vriend de computer en oudste in zijn geliefde zaaldoel, met vader als toeschouwer. Onthaal iedereen, brunch samen en maak lijstjes. Rijd naar de markt in het nieuwe speeltje dat nu al de bijnaam grote groene heeft. Vertoef een wijle bij de straatzanger. Neem lachend afscheid van de bloemenman die vrolijk pasen wenst. Koop vis op maat. Scharrel bekende en onbekende groenten op en teveel fruit. Schil twee kilo peren en zet te kook in suiker, wijn en kaneel. Stoei met drie messen en een kwart enorme pompoen. Stop Charpentier en Händel in de CD-speler. Trakteer de ogen op de kleuren van bloemen, fruit en groente. Proef meermalen in voorbijgaan de lippen van de allerliefste. Ruik de peren en lach om jongste met de neus dicht. Zijg neer op de bank. Lees tot je thuis komt.
Hij wist niet wat ervoor gezorgd had dat hij opgeschrikt was uit zijn hazenslaapje, de nu felle, stekende pijnen in zijn voet en schouder of het feit dat er een man over hem heen stond gebogen. “De bedrieger bedrogen, hè?” gromde een sjofel geklede vijftiger met een mondgeur als was hij het voorportaal van de hel. Bas realiseerde zich, in zijn opluchting dat hij gevonden was, onmiddellijk dat hij voor een stroper werd aangezien. Met zijn rechterbeen in de ene en zijn linkerschouder in de andere vossenklem lag hij er hier op zijn rug verdraaid verdacht bij. “Ik zocht mijn kat … ” begon hij uit te leggen. Hij verschoof zo ver als mogelijk om niet langer een puntige tak onder zijn billen te voelen. Zijn trui die omhoog kroop bij zijn rug kon hij niet naar beneden trekken zonder zich nog meer pijn te doen. De man, met zijn rechterhand in zijn broekzak, deed twee stappen achteruit en lachte kakelend. Hij miste de helft van zijn gebit. Bas was nu weer helemaal wakker. Hoe lang zou hij hier nu al liggen? Een dreinerig regentje had hem, zelfs half onder deze oude beuk liggend, doorweekt. “Ik was al bang dat er niemand langs zou komen, zo ver van het pad”. Hij probeerde de chagrijnige kop van de man vriendelijk aan te kijken. “En nu verwacht jij dat Geert je wel zal bevrijden? Malle Geertje maakt stropertje los?” teemde de man. “Nou, Geert, dat zou me een lief ding zijn” antwoordde Bas zo zakelijk mogelijk. “Ook al ben ik geen stroper. Er liggen een stukje terug wat flinke takken langs de greppel. Als je met zo’n tak de klemmen wilt spreiden, dan ben ik zo weer los en hebben wij onze handen nog”. Bas begon rustiger te ademen bij het idee dat hulp nu zo dichtbij was. “Jij gaat helemaal nergens heen” klonk het hijgend en stoterig. Geert wendde zich van hem af en leek weg te willen lopen. “Geert! Mijnheer? Wat …?” Bas begon benauwd te worden. Aan de schaduwen te zien was het grootste deel van de middag voorbij. Dat iemand hem had gevonden voor het donker werd was een wonder. Hij had zich voorbereid op een treffen met de stroper die ongetwijfeld in de nacht naar zijn klemmen zou komen kijken. Plotseling draaide de man zich om en begon Bas te bevoelen. “Jammer, mooie mijnheer, Geertje laat je liggen. Amateur”. De man sprak in felle korte klanken. Onhandig sjorrend met zijn linkerhand ontdeed hij Bas van portemonnee en mobieltje. “Je hebt hier geen bereik” overwoog Bas te grappen, maar hij bedacht zich. “Mag je allebei hebben” zei hij, in de hoop gul te klinken. “Een flinke beloning lijkt mij hier wel op z’n plaats”. De man had geen aandacht meer voor hem. Hij duwde de spullen in een uitgelubberde zak van zijn morsige colbertjasje, draaide zich om en slofte weg. Vlak voor hij uit het zicht verdween haalde hij zijn arm uit zijn broekzak. Een arm zonder hand.
Denkend dat we als afdeling nog één keertje gezellig door de stad zouden kuieren en 'onder het genot van' afscheid zouden nemen van drie tijdelijke collega's die de reorganisatie vooralsnog niet overleven, werd ik zelf toegesproken. En hoe. Over elf dagen ben ik niet langer het hoofd van deze heerlijke afdeling. RJ had passende teksten gezocht. Ons beider voorliefde voor de tale Kanaäns werd niet onvermeld gelaten. Het citaat, uit het 30ste hoofdstuk van het boek Spreuken, werd geleverd in de Willibrordvertaling. Ik ben zo trots op 'mijn' mensen. En vandaag mag ik het ook een beetje op mezelf zijn.Ode aan een sterke vrouw
Een sterke vrouw, wie zal haar vinden? Haar waarde gaat die van koralen ver te boven! Het hart van haar man vertrouwt op haar en het zal hem aan winst niet ontbreken. Zij brengt hem geluk, geen ongeluk, alle dagen van haar leven. Zij zoekt zorgvuldig wol en linnen uit en werkt ermee tot genoegen van haar handen. Zij is als het schip van een koopman en haalt haar voedsel van ver. Zij staat op terwijl het nog nacht is, deelt proviand uit aan haar familie en geeft haar dienstmaagden het deel dat hun toekomt. Zij bekijkt een akker en koopt die; met de vrucht uit haar handen plant zij een wijngaard. Zij omgordt haar lendenen met kracht en maakt haar armen sterk. Zij merkt dat haar ondernemingen slagen: ’s nachts gaat haar lamp niet uit.
Joop Koopman en Astrid Joosten zijn al mijn hele leven gast in mijn huis. Als kind, diep onder de indruk van de parate kennis van mijn ouders, keek ik al naar 2voor12. Tevergeefs heb ik geprobeerd hen samen kandidaat te laten zijn. Zo brutaal om hen achter hun rug om te geven ben ik niet geweest. Jammer dat ik ook brutaal pas later in het leven ben durven zijn. 
De aanblik van mensen op straat met muziekinstrument bij zich stemt mij immer vrolijk. Ingepakte muziekinstrumenten, wel te verstaan. Of dit nu een jonge vrouw is, in driekwartjas met een fagotkoffer, een vrouw van middelbare leeftijd op de fiets met een cello op de rug, of een man, hollend naar de tram, zwaaiend met vioolkist. Ze zijn op weg naar, of komen van, een plek waar hun kist open gaat en de schat onthult. Het instrument zelf, maar ook al het overige dat ze torsen.
De trouwe lezer weet dat ik een zanger ben. Althans, ik zing graag. Als ik niet minstens een boek lees per week en niet naar mijn koortje ga, springt er een lampje op oranje. Oppassen nu! Leg ik de prioriteiten wel goed? Neem ik genoeg tijd voor mezelf?
Ik schrok van het gezicht van collega B. vanmorgen. Rode huid, dikke ogen, net iets te goed gewassen alsof hij verdriet had willen wegpoetsen. Ik ben er eentje van het snelle oordeel en dacht dus onmiddellijk LEED in de smiezen te hebben. Shit, ik wil geen leed; en zeker niet voor anderen. Als in een MTV-clip schoten overleden grootouders, verbroken relaties, zieke moeders, ruziënde vrienden en platte katten door mijn brein. Nooit peuren in verdriet, is mijn devies. Als iemand wil delen gebeurt het vanzelf. Maar doen alsof ik het rode hoofd met de gezwollen ogen niet zag zou ook weer hypocriet zijn. "Jò, onder de zonnenbank in slaap gevallen?" grapte ik maar. Dat kon hij - in het geval van ondeelbaar verdriet - altijd weglachen met "Ja, zoiets." Maar het verhaal liep anders. Hij was dit weekend Zwarte Piet. Het afschminken was nog een heel karwei geweest.